Blog: SCHOOLVOORBEELDEN School Lr G op de Prinsengracht 239 waar Theo Thijssen in 1885 zelf naar school ging
Wie kent hem niet? Theo Thijssen, misschien wel de bekendste onderwijzer van Amsterdam. De schoolmeester van de bestseller over een schoenmakerszoon uit de Jordaan: Kees de Jonge. Theo ging zelf als zesjarige in 1885 naar de lagere school op de Prinsengracht 239. Indertijd heette dit geen lagere school maar een ‘openbare tussenschool’. Dat was chiquer dan de Armenschool waar de arme kinderen gratis naar school gingen. Voor de tussenschool moest elke week 30 cent worden betaald. Zijn tussenschool is in 1867 gebouwd voor 300 leerlingen die samen in een schoollokaal zaten. Echt een luxe vergeleken met de Armenschool waar in die tijd wel 700 a 800 leerlingen in een klaslokaal gepropt werden. De Armenscholen hadden nummers en de tussenscholen letters. Deze tussenschool Letter G genoemd, bestond uit acht klassen die elk negen maanden duurden. De kleinste kinderen uit de eerste klassen moesten op de voorste banken zitten en de hoogste klassen op de achterste banken. Zo waren de acht klassen over het lokaal verdeeld.
In 1878 werd een wet aangenomen waarin werd gesteld dat de klassen kleiner moesten worden. De gemeente verdeelde dit schoollokaal toen in vieren door glazen wanden te bouwen.
Theo schreef: ‘Lr.G had vier lokalen, door glazen wanden van elkaar gescheiden; de onderste glazen waren wit geschilderd, maar de jongens die daar aan de kant zaten hadden kijkgaatjes in de verf gekrabd. In elk lokaal waren twee klassen.’
De derde en vierde klas zaten bij elkaar in een lokaal. Theo vertelde over zijn derde klas: ‘In de andere helft van het lokaal, voor onze klas, was de vierde, en ik geloof dat ik de helft van de tijd daar het onderwijs zat te volgen. Daar stond een meester met een baard en die tekende op het bord reusachtige pannenkoeken, die verdeeld moesten worden, maar ik vond de kinderen van die klas vrij stom in het verdelen. Soms was het wel interessant: dan keerde die meester het bord om; daar had-ie een rood blokje op getekend, en er om heen met strepen de grachten en straten van de schoolbuurt. En dan moest een van de kinderen de aanwijsstok nemen en wijzen wat de meester opnoemde. Het ging altijd even beroerd, dan werd de meester kwaad en deed alles nog eens voor, schreeuwend, zodat onze klas bijna niet verder lezen kon.
In Amsterdam werden vrijwel alle schoolgebouwen vanaf 1860 van een gymnastiekzaal en een onderwijzerswoning voorzien. Daarmee liep Amsterdam ver voor op de andere steden. De hoofdonderwijzer woonde op de twee verdiepingen met uitzicht op de Prinsengracht. Het schoollokaal lag op het achterterrein. De gymzaal lag achter de voorgevel en had vijf hoge halfronde ramen.
De gymles werd in Theo’s tijd gegeven door een ‘indrukwekkende grijze meneer, nog een graadje aanzienlijker van voorkomen dan de andere meesters’. Deze gymmeester zat op een stoel zijn sigaar te roken en gaf ondertussen de gymlessen die een licht militair tintje hadden. De jongens moesten vooral rondjes lopen. Ze marcheerden talloze keren het lokaal in het rond. De grijze gymmeester gaf ook ‘oefeningen’ die bestonden uit het maken van bijvoorbeeld een: ‘Kwart-draai rechts om’. Volgens Theo: ‘deed de helft van de jongens wat ze nog niet mochten doen: maakten die kwart-draai met een sprongetje. De anderen waarschuwden fluisterend;’ Nee jong, nog niet!’ … Slechts de helft van de jongens maakte op tijd de kwart-draai-rechts-om; de rest haastte zich dan, hun voorbeeld te volgen. Dan zei meneer weer: ‘Voorwaarts, gewone pas…’ en hield zijn mond, en ging weer zitten kijken naar de wanorde, die natuurlijk ontstond doordat sommigen al begonnen te lopen en anderen nog plichtsmatig bleven staan. ‘Mars!’ riep hij dan onverwachts, en we liepen. Eerst erg ongeregeld, maar meneer stampte verwoed en zonder ophouden met z’n stok de maat op de grond, en d’r kwam gelijkheid in.’ Als de les afgelopen was, liepen de jongens op hun tenen achter de meester terug naar het lokaal en mochten de meisjes naar de gymles. In zijn boek, ‘In de ochtend van het leven’, schreef Theo Thijssen: “wij benijden de meisjes niet…”.
